afklopper

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. veilingmeester die met een klap met een hamer een bod definitief maakt
    Daarnaast, met een dikken wandelstok in de hand, stond Manes de afklopper, die met allerlei snakerijen en snedige gezegden de liefhebbers tot bieden aanzette en met nieuwe grappen waarschuwde, als het kaarsje bijna was uitgebrand, waarna de koop moest worden toegeslagen. De Telegraaf (1898)–Emile Seipgens [https://www.dbnl.org/tekst/seip002immo01_01/seip002immo01_01_0002.php Weifelende liefde]

Etymologie

* van afkloppen