afkomen
/xxxx/
Betekenis
werkwoord
- (erga) op iemand ~: iemand -soms dreigend- benaderenTot mijn grote schrik zag ik twee koplampen op me afkomen en ik schreeuwde en zwaaide zo hard ik kon in de hoop de bestuurder van een reusachtige vrachtwagen tot stoppen te bewegen.
- (erga) ~ van: van een probleem bevrijd worden, kwijtrakenHij zal niet gemakkelijk van die schulden afkomen.
- (erga) ~ van: zijn oorsprong vinden, afstammenVolgens mij komt dat van de Byzantijnen af.
- toegewezen of betaald wordenDie late betaling kwam eindelijk af.
- naar beneden komen, weg komen, langs komenHij kwam de trap af
- officieel bekend gemaakt wordenDeze benoeming zal spoedig afkomen
- op bezoek komen, langskomenIk kom morgen eens af
Vertalingen
Engelshead, be granted, be granted
Franss'avancer vers
Duitszukommen auf
Spaansacercarse a, acudir a, arrojarse sobre
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek