afkomst

vrouwelijk (de)/ˈɑfkɔmst/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de familie waarvan je afstamt
    Die jongen heeft een goede afkomst, maar is toch gaan stelen.
    Hij is van adellijke afkomst.
    Ingeborgs vader, baron Von Freital, geloofde niet in de liefde, maar des te meer in geld en afkomst, en vooral in de gunstige combinatie van die grootheden.
  2. de plaats waar je vandaan komt
    De afkomst van de inbrekers was onbekend.
    "Er is sprake van institutioneel racisme als de processen, het beleid en de (geschreven en ongeschreven) regels van instituten leiden tot discriminatie van groepen mensen op grond van etniciteit, afkomst, of huidskleur", legt het College voor de Rechten van de Mens uit.

Etymologie

* van afkomen

Vertalingen

DuitsHerkunft, origin
Spaansorigen
Italiaansorigine