aflopen

/ˈɑflopə(n)/

Wat is de betekenis van aflopen?

aflopen betekent: (erga) eindigen, verstrijken

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) eindigen, verstrijken
  2. absol (absol) hellen [1]
  3. erga (erga) het klinken van een alarmsignaal
  4. door veelvuldig lopen verslijten of doen loslaten
  5. een ruimte of uitgestrektheid in alle richtingen doorlopen
  6. iets of iemand lopend naderen

Voorbeelden van "aflopen" in een zin

  • De termijn van deze overeenkomst loopt morgen af.
  • Deze vloer loopt een beetje af.
  • De wekker liep af, maar hij sliep er dwars doorheen.

Betekenis en uitleg van aflopen

Het woord 'aflopen' verwijst naar het beëindigen van een periode, activiteit of proces. Het kan ook de betekenis hebben van het naar beneden gaan of het verstrijken van tijd, zoals wanneer iets zijn einde nadert.

Je gebruikt 'aflopen' vaak in situaties waarin iets tot een conclusie komt, zoals een afspraak, een project of zelfs een periode van tijd, zoals een abonnement. Het woord kan ook een gevoel van afsluiting of voltooiing met zich meebrengen. Daarnaast kan 'aflopen' ook letterlijk betekenen dat je iets of iemand naar beneden brengt, zoals het aflopen van een trap.

Voorbeelden

  • De film is net afgelopen en het publiek begint te applaudisseren.
  • Na een lange werkdag is het fijn om te merken dat de tijd eindelijk begint af te lopen.
  • Zorg ervoor dat je het examen op tijd inlevert, want de tijd loopt snel af.

Woordoorsprong

Het woord 'aflopen' is samengesteld uit 'af', wat een richting of beëindiging aangeeft, en 'lopen', wat beweging of voortgang impliceert. Samen vormen ze een concept van iets dat ten einde komt.

Veelgestelde vragen over aflopen

Wat is de betekenis van aflopen?

aflopen betekent: (erga) eindigen, verstrijken

Hoeveel betekenissen heeft aflopen?

aflopen heeft 6 verschillende betekenissen in het Nederlands. Zie hierboven voor alle definities.

Hoe gebruik je aflopen in een zin?

Voorbeeld: “De termijn van deze overeenkomst loopt morgen af.

Vertalingen

Engelsend, end up, finish
Fransfinir, terminer
Duitsabfallen
Spaansterminarse, caducar, bajar
Italiaansfinire