afpoeiering

vrouwelijk (de)/'ɑfpujərɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de keer dat iemand afgestraft wordt
    En na deze afpoeiering stortte het verhoor van de verdediging met de getuige van de aanklager al na enkele minuten in elkaar — wat een uniek observatievermogen van de verslaggever, hè? Hier barstte het ten slotte voor Eric.

Etymologie

* afleiding van (nomact) afpoeieren