afpoeiering
vrouwelijk (de)/'ɑfpujərɪŋ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- de keer dat iemand afgestraft wordtEn na deze afpoeiering stortte het verhoor van de verdediging met de getuige van de aanklager al na enkele minuten in elkaar — wat een uniek observatievermogen van de verslaggever, hè? Hier barstte het ten slotte voor Eric.
Etymologie
* afleiding van (nomact) afpoeieren
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek