afroepen

/xxxx/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) het een voor een noemen van namen
    De artsen gingen de patiënten afroepen op volgorde van alfabet.
  2. ov (ov) iets zelf veroorzaken, oproepen
    Zij zijn de problemen aan het afroepen over zichzelf.

Uitdrukkingen

  • op afroepdirekt na het doen van een verzoek