afroeping
vrouwelijk (de)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het vragen aan iemand of hij ergens weg wil gaan omdat hij ergens anders nodig isOmtrent de aanleiding tot Thorbecke's plotseling vertrek uit Göttingen in het najaar van 1824 zijn wij onvoldoende ingelicht. ‘Mijne afroeping,’ noemt hij het in den oudst bewaarden brief aan Groen. Wie hem dan geroepen had? Van Lennep? Falck? zijn vader misschien ook, wegens familieomstandigheden? Wij verkeeren in het onzekere. DBNL De Gids. Jaargang 70(1906) [https://www.dbnl.org/tekst/_gid001190601_01/_gid001190601_01_0107.php De jeugd van Thorbecke] geraadpleegd 29 december 2018
- aankondigingDe speaker annonceert met zijn scheepsroeper eveneens de deftige of gedistingeerde bezoekers tot enorme vreugde van het janhagel, dat verrukt is in zoo'n luisterrijk gezelschap te verkeeren en elke afroeping onderstreept met een daverend applaus. Bioscoopsterren, boksers, bankiers, romanciers, film-fabrikanten, tooneelschrijvers, demimondaines in groot tenue, acteurs, chansonniers, diva's van music-halls komen hier hun glorie een vernisje geven en voor hun reclame zorgen. DBNL (2017)–Matthijs Vermeulen [https://www.dbnl.org/tekst/verm030bijd05_01/verm030bijd05_01_0329.php Bijdragen aan het Soerabaiasch Handelsblad (juni 1926-juni 1940)] geraadpleegd 29 december 2018
Etymologie
* van afroepen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek