afscheiden
/xxxx/
Wat is de betekenis van afscheiden?
afscheiden betekent: (ov) afzonderen, uit de aanwezigheid van iets verwijderen
Betekenis
werkwoord
- (ov) afzonderen, uit de aanwezigheid van iets verwijderen
- (ov) een stof voortbrengen en afgeven aan de omgeving
- (refl) zich ~: een apart (kerk)genootschap of aparte staat gaan vormen, zich terugtrekken
Voorbeelden van "afscheiden" in een zin
- De waterige laag werd in een scheitrechter afgescheiden van de olie.
- Dit feromoon wordt afgescheiden door het wijfje van de mot en zelfs in uiterst kleine hoeveelheden al opgemerkt door het mannetje.
- De vermoeide vader scheidde zich af toe de kinderen weer aan het ruzie maken waren
- Deze kerk heeft zich in de vorige eeuw afgescheiden.
Etymologie
*van Middelnederlands "afsceiden"; op te vatten als
Vertalingen
Engelssecrete, secede
Duitsabsondern
Spaanssegregar, excretar
Italiaansdisgiungere
Poolsoddzielić
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek