afscheiden

/xxxx/

Wat is de betekenis van afscheiden?

afscheiden betekent: (ov) afzonderen, uit de aanwezigheid van iets verwijderen

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) afzonderen, uit de aanwezigheid van iets verwijderen
  2. ov (ov) een stof voortbrengen en afgeven aan de omgeving
  3. refl (refl) zich ~: een apart (kerk)genootschap of aparte staat gaan vormen, zich terugtrekken

Voorbeelden van "afscheiden" in een zin

  • De waterige laag werd in een scheitrechter afgescheiden van de olie.
  • Dit feromoon wordt afgescheiden door het wijfje van de mot en zelfs in uiterst kleine hoeveelheden al opgemerkt door het mannetje.
  • De vermoeide vader scheidde zich af toe de kinderen weer aan het ruzie maken waren
  • Deze kerk heeft zich in de vorige eeuw afgescheiden.

Etymologie

*van Middelnederlands "afsceiden"; op te vatten als

Vertalingen

Engelssecrete, secede
Duitsabsondern
Spaanssegregar, excretar
Italiaansdisgiungere
Poolsoddzielić