afscheuring
vrouwelijk (de)/'ɑfsxørɪŋ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- de keer dat iets door scheuren losraakt van een groter geheelSedert lange jaren herwaarts vele klachten en doleantiën ontstaan zijnde over het onbehoorlijk acquireren van zogenaamde stemgerechtigdheden door het leggen van stemmen op hoornlegers, met afscheuring van de landen daartoe behorend, waardoor tot nadeel van veel stemgerechtigdheden van de aloude en ware constitutie der regering werd afgewekenHij legt uit dat het heel moeilijk is uit de aarde van het letsel en het moment van de dood te bepalen wanneer het fatale lestel werd toegebracht. Tot nog toe wordt als fataal letsel gezien het afscheuren van de ophangband van de darmen en een afscheuring bij het schaambeen.
Etymologie
* van afscheuren
Vertalingen
Engelsavulsion
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek