afschrikken
/ˈɑfsxrɪkə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) doen weggaan door angst aan te jagen, door angst aan te jagen bepaald gedrag voorkomenDe oorlog schrikte haar niet af. {{Aut|Lemaitre, PierreDe puber werd afgeschrikt door het vooruitzicht nog een jaar bij zijn ouders te moeten wonen en ging dus maar hard blokken voor zijn eindexamen want dan kon hij volgend jaar op kamers om te studeren.Gespannen zette ik mijn tent op: om mezelf af te leiden en dieren af te schrikken begon ik hard te fluiten en ik wierp af en toe een blik op de brede vallei onder me.
- (ov) (scheikunde) (materiaalkunde) het bijzonder snel afkoelen van een heet voorwerp door het in een koelvloeistof te dompelenDe ampul met het gevormde sulfide werd uit de oven genomen en afgeschrikt in ijswater.
Vertalingen
Engelsquench
Franseffrayer
Spaansespantar, aterrorizar, acobardar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek