afschuring

vrouwelijk (de)/ˈɑfsxyrɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. proces waarbij door wrijving met hard materiaal deeltjes uit een stijf oppervlak worden losgemaakt
    Het lag in de bedoeling van de Emmense overheden met de hulp van de kunstenaar het werk te renoveren, omdat het door afschuring en oprukkend struikgewas erg aangetast is.
    Waar weer en wind echter vat kregen op de ogenschijnlijk harde rotsen, begon weldra afschuring eerst de kleine scherpe kanten af te slijpen.

Etymologie

* van "afschuren"