Dit woord is niet gevonden in de woordenlijst.

afslikken

/ˈɑfslɪkə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov, verouderd (ov) (verouderd) iets helemaal uit mond in de slokdarm laten afdalen
    Gedwongen zou hij het natuurlijk niet kunnen afslikken, nu loopt het er in als stroop.
  2. ov, figuurlijk, verouderd (ov) (figuurlijk) (verouderd) zich over een negatief gevoel heenzetten
    „Maar dansen, kom, dansen met mij de eerste wals, hè juffrouwtje? Kom, zeg nou 's wat… Wees eens aardig…" Ursule antwoordde niet meer; zijn brutale ongegeneerdheid, het geringschattend glimlachje waarmede de anderen toehoorden, omdat 't maar de juffrouw was die dat alles kon afslikken, verbitterden haar.