afsnijden

/ˈafsnɛidə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) ergens een stuk vanaf halen, bekorten, inkorten
    Hij moest eerst het topje van de fles afsnijden voordat hij hem kon gebruiken.
  2. ov (ov) rakelings langs iemand naar dezelfde weghelft gaan, versperren, blokkeren
    Ik werd vanmiddag weer afgesneden door zo'n snelle auto.
    De terugtocht van de troepen werd afgesneden
  3. ov (ov) een afkorting in een traject nemen, een weg bekorten
    Door deze weg te nemen, kunnen wij een heel stuk afsnijden
  4. ov (ov) afsluiten, onmogelijk maken
    Vanochtend werd de elektra weer afgesneden

Vertalingen

Duitsabschneiden, schneiden
Spaanscortar, cercenar, amputar
Italiaanstagliare
Poolsodciać