afspraakje
/ˈɑfsprakjə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- belofte van twee verliefde mensen om elkaar op een bepaalde tijd en plaats te ontmoetenHet afspraakje verliep zoals hij hoopte.Wijfie giechelde met de elegantie van een jong kippetje tijdens haar eerste afspraakje.
Etymologie
*afgeleid van "afspraak"
Vertalingen
Engelsdate
Fransrendez-vous
Spaanscita
Italiaansappuntamento
Poolsrandka
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek