afspraakje

/ˈɑfsprakjə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. belofte van twee verliefde mensen om elkaar op een bepaalde tijd en plaats te ontmoeten
    Het afspraakje verliep zoals hij hoopte.
    Wijfie giechelde met de elegantie van een jong kippetje tijdens haar eerste afspraakje.

Etymologie

*afgeleid van "afspraak"

Vertalingen

Engelsdate
Fransrendez-vous
Spaanscita
Italiaansappuntamento
Poolsrandka