afspraak

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈɑfsprak/

Wat is de betekenis van afspraak?

afspraak betekent: een met elkaar afgesproken belofte

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een met elkaar afgesproken belofte
  2. een overeenkomst om elkaar te ontmoeten
  3. date
  4. bloemplanten (bloemplanten) een tropische boom die voorkomt in het gebied van de Caribische eilanden en Zuid-Amerika

Voorbeelden van "afspraak" in een zin

  • Er viel geen afspraak met hem te maken.
  • ‘Ik weet eigenlijk wel zeker dat hij diep in zijn hart had gehoopt dat zijn moeder hem tegen de afspraken in zou bellen.
  • Uiteindelijk hadden ze dus toch de oorlog genoemd, ondanks hun stilzwijgende afspraak om dat onderwerp te mijden.
  • Ik heb een afspraak bij de huisarts gemaakt.
  • Hoewel het bij mijn oudste dochter soms lastig was om een afspraak in haar drukke tieneragenda in te plannen, reden we samen naar Groningen om in mijn oude studentenhuis te logeren en zijn we bezig met een tour om in elke provincie een biefstuk te eten.

Etymologie

* van afspreken

Vertalingen

Engelsagreement, appointment
Fransaccord
DuitsAbmachung, Absprache
Spaansacuerdo, convenio