afspraak
Wat is de betekenis van afspraak?
afspraak betekent: een met elkaar afgesproken belofte
Betekenis
- een met elkaar afgesproken belofte
- een overeenkomst om elkaar te ontmoeten
- date
- (bloemplanten) een tropische boom die voorkomt in het gebied van de Caribische eilanden en Zuid-Amerika
Voorbeelden van "afspraak" in een zin
- Er viel geen afspraak met hem te maken.
- ‘Ik weet eigenlijk wel zeker dat hij diep in zijn hart had gehoopt dat zijn moeder hem tegen de afspraken in zou bellen.
- Uiteindelijk hadden ze dus toch de oorlog genoemd, ondanks hun stilzwijgende afspraak om dat onderwerp te mijden.
- Ik heb een afspraak bij de huisarts gemaakt.
- Hoewel het bij mijn oudste dochter soms lastig was om een afspraak in haar drukke tieneragenda in te plannen, reden we samen naar Groningen om in mijn oude studentenhuis te logeren en zijn we bezig met een tour om in elke provincie een biefstuk te eten.
Betekenis en uitleg van afspraak
Een afspraak is een vooraf gemaakte overeenkomst tussen twee of meer personen om op een bepaald moment samen te komen of iets te doen. Het kan gaan om formele afspraken, zoals een vergadering, of informele, zoals een ontmoeting met vrienden.
Het woord 'afspraak' wordt vaak gebruikt in zowel persoonlijke als professionele contexten. Je maakt een afspraak wanneer je een tijd en plaats afspreekt om elkaar te zien of om bepaalde taken te volbrengen. Het kan ook een nuance van verplichting met zich meebrengen; het is belangrijk om je aan afspraken te houden, omdat dit vertrouwen opbouwt.
Voorbeelden
- Ik heb een afspraak met de dokter om mijn gezondheid te bespreken.
- Zullen we een afspraak maken om elkaar volgende week te ontmoeten voor de projectbespreking?
- Na de school hebben we een afspraak met de leraar om onze voortgang te bespreken.
Woordoorsprong
Het woord 'afspraak' komt van het Nederlandse 'af' en 'spraak', wat samen een overeenkomst of belofte aanduidt.
Veelgestelde vragen over afspraak
Wat is de betekenis van afspraak?
afspraak betekent: een met elkaar afgesproken belofte
Hoeveel betekenissen heeft afspraak?
afspraak heeft 4 verschillende betekenissen in het Nederlands. Zie hierboven voor alle definities.
Welk woordgeslacht heeft afspraak?
afspraak is een mannelijk/vrouwelijk (de).
Hoe gebruik je afspraak in een zin?
Voorbeeld: “Er viel geen afspraak met hem te maken.”
Etymologie
* van afspreken