activum

onzijdig (het)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bedrijvende vorm, het actief
    De zin De tas wordt door Jan gedragen in is het activum Jan draagt te bal.
    Het is lang geleden dat ik op het gymnasium heb gezeten, maar ik meen me toch te kunnen herinneren dat er een middel is om te controleren of iets een lijdend voorwerp is, namelijk door de zin van het activum in het passivum om te zetten. Dus: je zou van ‘hij lachte zich dood’ moeten kunnen maken : ‘hij wordt door hem dood gelachen’. Dat klinkt niet echt goed. NRC Jacqueline Soetenhorst Sies de Haan taalkundige UvA/ACLC 2 mei 2015
  2. een bezitting van een bedrijf
    Elke zelfhulpboek om rijk te worden zal hetzelfde zeggen: probeer bezit te krijgen, dat is de basis van rijkdom. „Als je iets bezit, is het van jou. Je hebt daar eigendomsrecht op, het exclusieve recht om iets te gebruiken, om er geld mee te verdienen en om anderen te weerhouden daar geld aan te verdienen. Oftewel: een mini-monopolie op een activum.” Denk niet alleen aan fysiek bezit, zoals een goudmijn of oliebron. Je kunt ook denken aan intellectueel eigendom. Wilkin: „Driekwart van de grootste fortuinen zijn (ten minste ten dele) te danken aan assetmanagement of intellectueel eigendom.” NRC Charlotte van 't Wout 22 maart 2016

Etymologie

*uit het Latijn

Vertalingen

Engelsactive voice, asset
Fransvoix active
DuitsAktiv, Aktivum, Tätigkeitsform
Spaansvoz activa
Italiaansattivo, diatesi attiva
Portugeesvoz ativa
Poolsstrona czynna