afstikken

/ˈɑfstɪkə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. voltooien van het naaien van een naad
    ‘Heel best, mevrouw. Ik zal dadelijk maat nemen. Maar gaat u toch zitten, mevrouw. Ik moet eerst nog even dezen naad afstikken, weet u.’ De Standaard (ca. 1927)–Maren Koster [https://www.dbnl.org/tekst/kost012onze01_01/kost012onze01_01_0001.php Onze lievelingen]
  2. met een spa een rechthoekig stuk grond losmaken van de grond eromheen