afvegen
/ˈɑfeɣə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) met een doekje of papiertje vuil weghalenHij moest eerst zijn handen afvegen voordat hij de man kon feliciteren.Hij veegde zijn handen af aan zijn broek.' Ik greep mijn nachtgoed en ging naar de badkamer, waar ik me uitkleedde, met een handdoek het zweet afveegde en mijn lichaam verder aan de lucht liet drogen, met mijn blote voeten op de koude vloer.
Uitdrukkingen
- Met iets zijn kont/reet afvegen — {{vulgair|nld
Vertalingen
Engelswipe
Fransessuyer
Duitsabwischen
Spaanslimpiar, enjugar, fregar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek