afwas

mannelijk (de)/'ɑfwɑs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het afwassen, het af te wassene
    Terwijl Dora de afwas doet ziet ze door het raam de houten wolf die al klaar is op de trap zitten.

Etymologie

* (nomact) afwassen

Vertalingen

Engelswashing-up
Fransvaisselle
DuitsAbwasch
Spaansplatos sucios
Poolszmywanie