afwijking

vrouwelijk (de)/'ɑfwɛɪkɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. techniek (techniek) het niet goed afgesteld staan en naar een bepaalde kant neigen
    Het stuur had een afwijking naar links.
  2. medisch (medisch) lichamelijk of geestelijk gebrek
    Een aangeboren afwijking aan de aortaklep.
    Het buurmeisje had een afwijking, maar was ook erg aardig.
    De moderne wereld behoorde uitdrukkelijk toe aan de extraverte mens, terwijl de introvert gestemden thuis aan hun lot werden overgelaten en het gevoel kregen opgedrongen dat datgene waar ze zich het prettigst bij voelden - alleen-zijn - een afwijking was.

Etymologie

* van afwijken

Vertalingen

Engelsdeviation, anomaly, abnormality
Fransdéviation, aberration, fêlure
Spaansdesviación, anomalía, aberración
Portugeesaberração