afzeilen

Betekenis

werkwoord
  1. zeilend voltooien
    Maar hoewel we afkoersen op gebieden van oorlog en piraterij, gaan we het “rondje wereld” toch afzeilen. Nou ja, motoren dan, er staat al een paar dagen geen zuchtje wind. De Telegraaf JOSHUA VAN EIJNDHOVEN 29 jan. 2017 [https://www.telegraaf.nl/nieuws/1309353/zeilen-naar-de-oorlog Zeilen naar de oorlog]
  2. zeilend vertrekken
  3. met de stroom van een rivier mee varen
  4. heel snel naar beneden gaan
    Een doorsneerenner gaat niet even met honderd van een berg afzeilen om te kijken of de remmen het goed doen.” NRC Michiel van Nieuwstadt 12 december 2009 [https://www.nrc.nl/nieuws/2009/12/12/de-laatste-fietsmysteries-11824286-a1274976 De laatste fietsmysteries]
  5. ergens naartoe gaan
    Soms komt er na de voorstelling een zwakzinnige op me afzeilen met de woorden: “Wat was het vanavond weer geweldig somber!” Voorheen informeerde ik of de persoon in kwestie dan niet gelachen had. Meestal bleek zulks wel het geval. Tegenwoordig doe ik er het zwijgen toe. Hoezeer mijn levensvisie ook mag verschillen van die van Toon Hermans, op de planken ben ik een komiek. Van onbegrip zie ik de humor niet meer in. NRC Hans Dorrestijn [https://www.nrc.nl/nieuws/1998/12/05/hollands-dagboek-hans-dorrestijn-7426053-a392242 Hollands Dagboek: Hans Dorrestijn]