afzet

mannelijk (de)/ˈɑfsɛt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. economie (economie) het volume product dat aan consumenten verkocht wordt
    De afzet van dat bedrijf was prima in orde maar toch leden ze een groot verlies want de verkoopprijs was minder dan de kostprijs.
  2. de kracht waarmee of het moment waarop men zich tegen iets afzet
    De de krachtige afzet kon de verspringer een grote afstand overbruggen.

Etymologie

* uit het Duits

Vertalingen

Engelsdemand, sale
Spaansconsumo, salida, venta
Italiaansconsumo