afzichtelijkheid
vrouwelijk (de)/ɑf'sɪxtələkhɛɪt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het heel lelijk zijnKwam het door de plotseling zich opdringende afzichtelijkheid van Amsterdams voornaamste plein, dat hij, weer buiten staand, opeens aarzelde?
- de lelijkheid. Ja, gedurig ontdekken wij dezelfde afzichtelijkheid in ons eigen hart.
Etymologie
* afleiding van afzichtelijk
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek