afzien

/ˈɑfsin/

Betekenis

werkwoord
  1. inerg (inerg) ~ van: besluiten iets niet te doen
    Hij zag af van zijn voornemen.
  2. inerg (inerg) lijden, ongemak doorstaan, o.a. in de sport
    Die laatste ronde was puur afzien.
  3. spieken, afkijken
    De student haalde hoge cijfers omdat hij zoveel afzag.

Etymologie

* In de betekenis van ‘(in de sport) lijden’ voor het eerst aangetroffen in 1970

Vertalingen

Engelsabandon, renounce, suffer
Fransrenoncer à, en baver, en voir de dures
Duitsabsehen von, verzichten, sich abmühen
Spaansrenunciar, sufrir