airstrip

mannelijk (de)/ˈɛːrstrɪp/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. klein, eenvoudig vliegveld vaak zonder een verharde landingsbaan
    „Er gaat veel meer cocaïne via Suriname naar Europa dan ooit tevoren. In de jaren tachtig landden vliegtuigen op airstrips in Suriname met meestal zo’n 500 kilo. De Telegraaf JOHN VAN DEN HEUVEL EN MICK VAN WELY 21 feb. 2017 [https://www.telegraaf.nl/nieuws/63300/meer-coke-uit-suriname-dan-ooit ’Meer coke uit Suriname dan ooit’]
    Vroeger, nog voordat Woord en Daad bestond, stapte een blanke man in gemakkelijke kleding op een airstrip in Tsjaad uit het vliegtuigje, om vervolgens welwillend doch beslist aan de bevolking uit te leggen wat er nodig moest veranderen. Maar werkten de westerse oplossingen altijd wel zo goed in het verre Tsjaad? Sterker nog: werkten sommige oplossingen niet averechts? Het leek er wel sterk op. Reformatorisch Dagblad Mark Wallet 27-11-2010 [https://www.rd.nl/vandaag/buitenland/ontwikkelingswerk-grotere-stem-voor-tsjaad-1.580664 Ontwikkelingswerk: grotere stem voor Tsjaad]

Etymologie

* uit het Engels

Vertalingen

Engelslanding strip, flight strip, airfield