Akker

mannelijk (de)/ˈɑkər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. landbouw (landbouw) afgeperkt stuk land dat bestemd is bebouwd te worden met een gewas
    Op de Groningse akkers worden veel suikerbieten verbouwd.
    We lopen al lang niet meer over een pad, maar dwars over een akker heen, de ruïne steeds verder achter ons latend.

Etymologie

*(erfwoord) via Middelnederlands "acker" van Oudnederlands "accar"; terug te leiden naar Protogermaans *akra en Proto-Indo-Europees *aǵro-s van *h2eǵro-s; cognaat met "Acker", "ikker", en åker, "akur", "ager"; en acre tegenwoordig: "oppervlaktemaat", Latijn "ager" "veld, district", ἀγρός (agrós) "veld, land", "अज्र" (ajra) "vlakte"

Uitdrukkingen

  • Gods water over Gods akker laten lopenonbezorgd er maar op losleven

Vertalingen

Engelsfield
Spaanscampo
Italiaanscampo