akoestiek

vrouwelijk (de)/ˌakusˈtik/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. natuurkunde, muziek (natuurkunde) (muziek) de voortplanting van klank in een besloten ruimte en de ervaring die deze voortplanting bezorgd aan de luisteraar
    De akoestiek van een ruimte kan vaak verbeterd worden door de wanden met speciale materialen te bekleden.
    Met 10.000 vierkante meter en een capaciteit van 10.000 personen is deze groot genoeg en hij voldoet ook qua akoestiek (‘zelfs Madonna klinkt hier goed’, aldus een medewerkster van de evenementenlocatie) en logistiek. „De Randstad zit toch al vol”, zegt hij. „We moeten groot durven denken. Waarom zou het hier niet kunnen? We hebben ruimte genoeg.” Tubantia Arjan te Bogt en Kelly Adams 20 mei. 2019 [https://www.tubantia.nl/enschede/vliegveld-twenthe-wil-het-songfestival-organiseren-we-moeten-groot-durven-denken~aba913b7/ Vliegveld Twenthe wil het Songfestival organiseren: ‘We moeten groot durven denken’]
    Niet denken aan de holle akoestiek die, ondanks de kussentjes en de kleedjes, niet verdwijnt en die mijn telefoonstem doet echoën in mijn oor.

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘gehoorleer’ voor het eerst aangetroffen in 1751

Vertalingen

Engelsacoustics
Fransacoustique
DuitsAkustik
Spaansacústica
Italiaansacustica
Poolsakustyka