alarmbel

mannelijk/vrouwelijk (de)/a'lɑrmbɛl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een bel die luidt of geluid wordt bij een alarm
    Toen de alarmbel afging, wisten we dat er brand was.
  2. een waarschuwing
    Chantal hoorde een serie alarmbellen in haar hoofd afgaan.
    Iemand die zich bij een van de eerste afspraakjes voordoet als een vrijwel volmaakt wezen - dat ook nog met de dag beter wordt - zal alarmbellen doen afgaan: zo iemand zal algauw onuitstaanbaar blijken en altijd ondoorgrondelijk blijven.