alarm

onzijdig (het)/alɑrṃ/

Wat is de betekenis van alarm?

alarm betekent: een waarschuwing tegen gevaar

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een waarschuwing tegen gevaar
  2. elektronica (elektronica) alarminstallatie
  3. wekker

Voorbeelden van "alarm" in een zin

  • Het alarm van de winkel ging af.
  • Ze was niet eens tot de uitgang gekomen, waar ongetwijfeld het alarm zou zijn afgegaan.
  • Zonder verder na te denken, grijp ik de afstandsbediening van het alarm van mijn nachtkastje en druk de rode knop in.

Etymologie

* Via "alarme", te herleiden tot all'arma, "te wapen" (< Latijn "arma". In de betekenis van ‘noodsein, onrust’ voor het eerst aangetroffen in 1488

Uitdrukkingen

  • loos alarmvals alarm; een alarmering zonder dat er echt gevaar is

Vertalingen

Engelsalarm
Spaansalarma
Turksalarm