alarmklok
mannelijk/vrouwelijk (de)/a'lɑrmklɔk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- klok die geluid wordt in geval van rampen
- wekkerHij zag allerlei soorten klokken: staande klokken, mantelklokken, keukenklokken met glazen deurtjes die opengingen, klokken die waren ingebouwd in een lamp, schoolklokken, klokken met een carillon, alarmklokken, klokken in de vorm van een honkbal en een gitaar en zelfs één in de vorm van een kat met een slinger als staart.
Uitdrukkingen
- de alarmklok luiden — alarm slaan
Vertalingen
Engelsalarm-bell, alarm-clock
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek