alarmklok

mannelijk/vrouwelijk (de)/a'lɑrmklɔk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. klok die geluid wordt in geval van rampen
  2. wekker
    Hij zag allerlei soorten klokken: staande klokken, mantelklokken, keukenklokken met glazen deurtjes die opengingen, klokken die waren ingebouwd in een lamp, schoolklokken, klokken met een carillon, alarmklokken, klokken in de vorm van een honkbal en een gitaar en zelfs één in de vorm van een kat met een slinger als staart.

Uitdrukkingen

  • de alarmklok luidenalarm slaan

Vertalingen

Engelsalarm-bell, alarm-clock