allegro

onzijdig (het)/ɑˈleɡro/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. muziek (muziek) muziekstuk of deel daarvan dat opgewekt en levendig gespeeld moet worden
    Maar de nazi’s probeerden jazz wel te temmen. Django put herhaaldelijk uit de richtlijnen die de Duitse Gauleiter in Praag uitvaardigde voor jazzbandjes: geen riffs, drumsolo’s of scat, maximaal 20 procent foxtrot en 10 procent syncopatie, levenslustige teksten zonder "joodse somberheid", een vlot allegro "passend bij het Arische gevoel voor discipline en gematigdheid", evenwel zonder in het jachtige tempo van "hot jazz" te vervallen, geen snaarplukken, de contrabas louter met strijkstok bespelen, enzovoorts.
    In het daarop volgend allegro wordt de eenheid, maar ook de taalverscheidenheid tussen Vlamingen en Walen beklemtoond:En van Aerlen tot OostendenBy bekenden, onbekendenEn by Vlaming en by WaelRoept men in de Moedertael:Leve! Leve! Ja, Hij leve!!...

Etymologie

#(taalkunde) in allegrovorm: een (meestaal verkorte) woordvorm van een snel gesproken woord, bijv. zo'n voor 'zo een'; vaak gebruikelijk voor dialecten en in muziekteksten