allerkleinste

mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. degene die of datgene dat het kleinst is
    Eben leek heel nietig terwijl hij daar stond onder de twee mannen, die op hun beurt piepklein oogden onder het standbeeld met zijn enorme hoed, en het standbeeld was nog niets vergeleken met de omringende huizenblokken en het kwadrant, en het kwadrant was nog niets vergeleken met de omringende groene akkers, de hoge hekken, de stad daarbuiten, en de stad was klein binnen de uitgestrektheid van puin en verwoesting die de wereld is, en natuurlijk was de aarde de kleinste van allemaal, de allerkleinste, want als je er ook maar een klein beetje afstand van nam, zou je hem niet meer als jouw aarde herkennen.
    Later zou deze organisatie haar eren met een nieuw weeshuis voor de allerkleinsten: de De Fremery Nursery for Babies and Toddlers.