aangaan

/ˈaŋɣan/

Betekenis

werkwoord
  1. inerg (inerg) betreffen, van belang zijn
    Dat gaat hem zeker aan.
    Het gaat niemand wat aan hoeveel ik verdien.
    Beslissingen die de kinderen aangingen, werden dan ook steevast gezamenlijk aan hen gemeld en uitgelegd.
  2. erga (erga) ingeschakeld worden
    Het licht ging ineens aan.
    Oscar kwam overeind, rekte zich uit en deed een paar rompoefeningen om de stijfheid kwijt te raken, alsof hijzelf ook de strijd aan zou moeten gaan.
  3. ov (ov) in een zaak, relatie of gesprek betrokken worden
    Hij is daarna een relatie met haar aangegaan.
  4. iets ondernemen
    'Zie het als een vorm van therapie,' had Zac gezegd. Daarna zei hij iets over dat dingen aangaan die je niet durft de snelste manier is om te groeien. Heeft hij vast van zijn coach.

Etymologie

*[1],[3]

Vertalingen

Engelsconcern
Duitsangehen, betreffen
Spaansincumbir, concernir
Italiaansconcernere
Deensangå