uitgaan

/ˈœytxan/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) ophouden met branden
    De vlam van de kaars ging uit door een sterke bries.
  2. erga (erga) klaar zijn met school en weg mogen
    Toen de school uitging, moesten we gelijk de stad in omdat de winkels anders dicht waren.
  3. erga (erga) naar de bar, disco of restaurant gaan
    We gaan met z'n drieën uit in plaats van met z'n allen.
  4. erga (erga) naar buiten gaan
    We moesten eerst het gebouw uitgaan voordat we mochten roken.
  5. erga (erga) ~ van: als vertrekpunt van een redenering nemen
    Hij ging uit van hun goede bedoelingen.
    Het concept tabula rasa, dat ervan uitgaat dat de mens als een onbeschreven blad wordt geboren en verantwoordelijk is voor zijn eigen geluk en verlies fascineert me.
  6. erga (erga) ~ van: zijn oorsprong vinden
    Die actie gaat uit van een andere organisatie.
  7. erga (erga) ~ naar als focus van de gedachten dienen
    Ons medeleven gaat uit naar de nabestaanden.
  8. erga (erga) ervan ~ dat: veronderstellen dat iets waar is
    Ik weet niet of je ervan uit kunt gaan dat hij komt..
  9. uitgaan met: het beëindigen van een liefdes relatie
    Misschien nog ingewikkelder was het toen het uitging met mijn oudste dochter en haar vriendje.
  10. intr, onpr, juridisch (intr), (onpr), (juridisch) uitgevaardigd worden
    Er ging een bevel uit.
    Ik ben er altijd van uitgegaan dan het zo goed was.|**

Uitdrukkingen

  • Als een nachtkaars uitgaanIn een gestaag tempo minder worden en eindigen
  • De laan uitgaanontslagen worden

Vertalingen

Engelsgo out, go out, leave
Franssortir
Duitsausgehen
Spaansapagarse, salir, salir