uitgaan
/ˈœytxan/
Wat is de betekenis van uitgaan?
uitgaan betekent: (erga) ophouden met branden
Betekenis
werkwoord
- (erga) ophouden met branden
- (erga) klaar zijn met school en weg mogen
- (erga) naar de bar, disco of restaurant gaan
- (erga) naar buiten gaan
- (erga) ~ van: als vertrekpunt van een redenering nemen
- (erga) ~ van: zijn oorsprong vinden
- (erga) ~ naar als focus van de gedachten dienen
- (erga) ervan ~ dat: veronderstellen dat iets waar is
- uitgaan met: het beëindigen van een liefdes relatie
- (intr), (onpr), (juridisch) uitgevaardigd worden
Voorbeelden van "uitgaan" in een zin
- De vlam van de kaars ging uit door een sterke bries.
- Toen de school uitging, moesten we gelijk de stad in omdat de winkels anders dicht waren.
- We gaan met z'n drieën uit in plaats van met z'n allen.
- We moesten eerst het gebouw uitgaan voordat we mochten roken.
- Hij ging uit van hun goede bedoelingen.
Uitdrukkingen
- Als een nachtkaars uitgaan — In een gestaag tempo minder worden en eindigen
- De laan uitgaan — ontslagen worden
Vertalingen
Engelsgo out, go out, leave
Franssortir
Duitsausgehen
Spaansapagarse, salir, salir
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek