almee
vrouwelijk (de)/ɑlˈme/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (beroep) vrouw in de Arabische wereld die mensen met zang en dans vermaakt, soms met de bijbetekenis dat zij ook voor erotisch vermaak zorgt't Is de boess-boess-mee van Mascara,Gedanst door een almeeOnder een palm der Sahara.
- op dezelfde manier, in hetzelfde verbandHoezeer Kloeke ook in het Fries thuis is, bewijst ‘Die Aussprache des germ.û im Altwestfriesischen’ (1931), almee een der vele artikelen die hij in de loop der jaren heeft moeten schrijven om zijn standpunt tegenover dat van W. de Vries, de felste onder zijn bestrijders, te handhaven en toe te lichten.
- in dezelfde ontwikkeling, na een geleidelijke verandering duidelijk verschillend met voorheenAlmee begint de feeststemming los te komen. Zelfs de twee moeders, de twee weduwen neveneen, komen eindelijk wat uit de plooi; (…)Zo werd, almee door de invloed van de talrijke Vlaamse emigranten, die in het laatste kwart der zestiende eeuw naar Zeeland uitweken, het Calvinisme er een macht in kerk en staat, die hier van ongemene betekenis zou blijken.
- (verouderd) misschien ook (drukt twijfel uit of het daaropvolgende kenmerk van toepassing is, of mogelijk zelfs het tegendeel){{ouds|1935/46
Etymologie
*: (verkorting) van "almede" , op te vatten als
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek