alpenstok

mannelijk (de)/ˈɑlpə(n)ˌstɔk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. houten staak met een metalen punt zoals die bij het beklimmen van bergen wordt gebruikt
    De kleding die dames dragen bij het ondernemen van de enige sportieve activiteit waaraan zij mogen deelnemen (wandeltochten in de bergen), is bepaald niet praktisch. Zij kunnen kennelijk niet buiten een crinoline, al wordt deze dan voor de gelegenheid met een touwconstructie iets opgetrokken. Daarbij dragen zij een herenpaletot en een baret met veer, hoge laarzen en een alpenstok.
    {{ouds

Etymologie

*leenvertaling van "Alpenstange", , aangetroffen vanaf 1838 (zie vindplaats hieronder)