amandel
mannelijk (de)/aˈmɑndəl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bloemplanten) (voeding) kleine bladverliezende loofboom , die vooral in bergachtige gebieden groeit en de vruchten van deze boomItalië produceert en exporteert goede kwaliteit hazelnoten en amandelen.
zelfstandig naamwoord
- (fruit) vrucht van de amandelboom
- (voeding) eetbare pit van de amandelvruchtHet vreemdst was misschien nog wel dat oom Sverre deze keer niet de amandel in de rijstebrij kreeg.Iets vergeten? Ja. De amandel voor de rijstebrij, ze zouden tenslotte kerst vieren in het huis van oudoom Sverre, hij die altijd de amandel in de rijstebrij kreeg, vermoedelijk door de bedienden te corrumperen.
- (anatomie) elk van de vier klieren in de neus-keelholte, die deel uitmaken van het afweersysteemBij veel kinderen worden de amandelen
Etymologie
**(f)/(m) [3]: vanwege de vergelijkbare vorm, in de betekenis "tonsil" aangetroffen vanaf 1567
Uitdrukkingen
- mandelen knippen
Vertalingen
Engelsalmond, almond-tree, almond
Fransamandier, amande, amygdale
DuitsMandel, Mandelbaum, Mandel
Spaansalmendro, almendrero, almendra
Italiaansmandorlo, mandorlo
Portugeesamêndoeira, amendoeira, amígdala
Chinees扁桃
Turksbadem, bademcik
Poolsdrzewo migdałowe, migdał
Zweedsmandelträd
Deensmandel, mandeltræ
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek