ambachtsheerlijkheid
vrouwelijk (de)/'ɑmbɑxtsherləkhɛɪt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- de waardigheid van een ambachtsheer met de daaraan verbonden rechten
- het grondgebied of de landstreek, waarover de jurisdictie van deze ambachtsheer zich uitstrekt, het ambacht
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek