amigo

mannelijk (de)/aˈmiɡo/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. informeel (informeel) vriendschappelijke aanspreekvorm voor een man
    De man die voor me stond toen ik de voordeur opentrok droeg inderdaad een baard, maar nee, dit kon niet, alstublieft zeg, wie we dáár hadden: Reynier.- ‘Kom binnen,’ haastte ik mij te zeggen.- ‘Amigo,’ begroette hij me. Hij drukte me stevig de hand. ‘Amigo! Waar jij je verstopt hebt, ik heb me haast kapot gezocht om je te vinden!’
    Beste amigo! Ik heb ook aan het hoofd van een destijds zeer machtig invloedrijk blad gestaan en weet wel zoowat wat 'n hoofdredacteur doen en laten moet.
    Bij de poort moet je zeggen datje een amigo bent, een amigo de Lori.
  2. spreektaal (spreektaal) (België) gevangenis voor arrestanten
    Ons ontwerp vormde een functioneel geheel met het bestaande torengebouw. Dit was namelijk louter administratief opgevat, terwijl de kazerne voor de mobiele politie en amigo, met garagepoort aansloot langs de Everdystraat.

Etymologie

*[2]: tijdens de Spaanse overheersing is het Middelnederlands "vrunte" "gevangenis" verward met "vrunt" "vriend" zodat de Spaanse vertaling van het tweede woord ook voor het eerste werd gebruikt