ampul
mannelijk/vrouwelijk (de)/ɑm'pʏl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (medisch) dichtgesmolten medicijnflesje, waarin steriele injectiestoffen worden afgeleverd
- (scheikunde) afsmeltbare, meestal geëvacueerde reageerbuis voor synthese bij hogere temperaturen
- buikig kannetje
- schenkkannetje voor wijn of water, gebruikt bij de mis
Etymologie
*Afgeleid van het Latijnse ampulla
Vertalingen
Engelsampoule
Fransburette
DuitsAmpulle, Messkännchen
Spaansampolla, bombilla, redoma
Portugeesampola, galheta
Poolsampułka
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek