ampul

mannelijk/vrouwelijk (de)/ɑm'pʏl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. medisch (medisch) dichtgesmolten medicijnflesje, waarin steriele injectiestoffen worden afgeleverd
  2. scheikunde (scheikunde) afsmeltbare, meestal geëvacueerde reageerbuis voor synthese bij hogere temperaturen
  3. buikig kannetje
  4. schenkkannetje voor wijn of water, gebruikt bij de mis

Etymologie

*Afgeleid van het Latijnse ampulla

Vertalingen

Engelsampoule
Fransburette
DuitsAmpulle, Messkännchen
Spaansampolla, bombilla, redoma
Portugeesampola, galheta
Poolsampułka