angelus
onzijdig (het)/ˈɑŋɣəˌlʏs/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (religie) door katholieken driemaal daags gehouden gebed: om zes uur 's morgens, twaalf uur 's middags en zes uur 's avonds
- klokje dat luidt op de tijd van het angelus bidden
Etymologie
* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘drieledig gebed’ voor het eerst aangetroffen in 1728
Vertalingen
Engelsangelus
Spaansángelus
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek