annuïteit

vrouwelijk (de)/ɑnywi'tɛɪt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. vaste periodieke (vaak jaarlijkse) uitkering
  2. vaste periodieke (vaak jaarlijkse) betaling, met name vaste som waar de rente en de aflossing inbegrepen is bij een hypotheek

Etymologie

*afgeleid van het Franse annuité () [https://fr.wiktionary.org/wiki/annuité Wiktionnaire]

Vertalingen

Engelsinstalment, repayment
Spaansanualidad