antenne

mannelijk/vrouwelijk (de)/ɑnˈtɛnə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. natuurkunde, elektronica (natuurkunde), (elektronica) een vrij opgestelde elektrische geleider voor het uitzenden en/of ontvangen van elektromagnetische straling in het radiofrequente gedeelte van het elektromagnetische spectrum
    Zijn logge kop schudt heen en weer, zijn pluimstaart steekt als een antenne boven hem uit.
    De geleider van de antenne kan worden gecombineerd met directoren en/of een reflector om een richtwerking te verkrijgen.
  2. dierkunde, anatomie (dierkunde), (anatomie) voelspriet bij insecten en andere geleedpotigen
    Deze kever heeft grote en gevorkte antennes.
  3. visserij (visserij) staafje van de dobber aan een vislijn
    De antenne maakt het mogelijk de positie van de dobber te blijven zien bij het vissen.
  4. scheepvaart (scheepvaart) ra van een zeil
  5. figuurlijk, communicatie (figuurlijk), (communicatie) het vermogen om een boodschap van anderen goed te begrijpen
    Een sociale antenne.
    Ze heeft geen antenne voor wat gepast is.
    Helaas bleek mijn emotionele antenne op de cruciale momenten buiten werking.

Etymologie

* Van het Italiaanse antenna. In de betekenis van ‘draad voor het zenden en ontvangen van elektromagnetische golven’ voor het eerst aangetroffen in 1906.

Uitdrukkingen

  • ergens een antenne voor hebbenergens zeer gevoelig voor zijn

Vertalingen

Engelsaerial, antenna
Fransantenne, antenne, antenne
DuitsAntenne, Fühler
Spaansantena, entena
Italiaansantenna
Poolsantena