antipropaganda

mannelijk/vrouwelijk (de)/'ɑntipropaɣɑnda/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. propaganda tegen iets
    Bouterse somde ook een aantal abani ('verraders') van de Surinaamse zaak op. Het zou gaan om de Surinaamse journalist Iwan Brave, die voor Nederlandse media werkt, de krant De Ware Tijd en de mensenrechtenactivist Stanley Rensch. Hij vroeg de aanwezigen zich niet te laten “vergiftigen” door de antipropaganda die zij over de Suriname verspreiden.NRC 6 november 1997
  2. propaganda die zich keert tegen andere propaganda

Etymologie

* afgeleid van propaganda