anus
mannelijk (de)/ˈanʏs/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (anatomie) opening aan het eind van de endeldarm en aan het eind van het spijsverteringskanaal waardoor afvalstoffen het lichaam verlatenUit je anus komt je poep.Fijn sabbelen op zijn voetfungus, terwijl buurvrouw Betty je intens masturberend ligt aan te kijken en Vieze Gerrit van op de hoek in je anus op zoek is naar je derde oog.
Etymologie
*van Latijn """, in de betekenis van ‘aars (bij mensen)’ voor het eerst aangetroffen in 1833
Uitdrukkingen
- Het kan/zal mij [aan] de anus oxideren. — Het interesseert me helemaal niets, het kan me niets schelen.Een "beschaafde" versie van Het zal aan mijn reet roesten; i.p.v. anus wordt ook wel derrière gezegd.
Vertalingen
Engelsanus
Fransanus
DuitsAfter, Anus
Spaansano
Turksanüs
Poolsodbyt
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek