apostel

mannelijk (de)/ɑˈpɔstəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. elk van de voornaamste twaalf leerlingen van Jezus en eerste verkondigers van het christendom
  2. religie (religie) verkondiger van een nieuwe leer
  3. scheepvaart (scheepvaart) steunhout aan de voorsteven van een schip

Etymologie

*via het Latijn uit het Grieks, van stellein (zenden) ,

Vertalingen

Engelsapostle, apostle
Fransapôtre, apôtre
DuitsApostel, Apostel
Spaansapóstol
Italiaansapostolo, apostolo
Russischапостол
Zweedsapostel