apostel
mannelijk (de)/ɑˈpɔstəl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- elk van de voornaamste twaalf leerlingen van Jezus en eerste verkondigers van het christendom
- (religie) verkondiger van een nieuwe leer
- (scheepvaart) steunhout aan de voorsteven van een schip
Etymologie
*via het Latijn uit het Grieks, van stellein (zenden) ,
Vertalingen
Engelsapostle, apostle
Fransapôtre, apôtre
DuitsApostel, Apostel
Spaansapóstol
Italiaansapostolo, apostolo
Russischапостол
Zweedsapostel
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek