app

vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. informatica, afkorting (informatica), (afkorting) een afkorting van "application", een gebruiksklaar programma waarmee digitale apparatuur bepaalde functies kan vervullen
    Mobiele apparaten worden steeds veelzijdiger door de apps die ervoor beschikbaar komen.
    Vincenzo legt uit dat ik een app moet installeren op mijn telefoon.
    Deze app was voor mij in vele opzichten een reddingslijn en ik raadpleegde hem meerdere malen per dag om te zien waar ik me bevond.
  2. informatica, communicatie, spreektaal (informatica), (communicatie), (spreektaal) een persoonlijk bericht verstuurd met de applicatie WhatsApp
    Ik heb nog geen app van je gekregen.

Etymologie

*Ontleend aan het Engels, waar het een verkorting van "application" ("toepassing in de digitale wereld") is. In het Nederlands gangbaar sinds begin 21e eeuw.

Vertalingen

Engelsapp
Fransapp, appli
DuitsApp