appelflauwte

vrouwelijk (de)/'ɑpəlflɔutə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een licht gevoel van flauwte (die verholpen zou worden door het eten van een appel)
    Godsamme, kijk, daar heb je het al: ik neem woorden van hem over, potdomme, ik krijg er een appelflauwte van. Je zou het wis en waarachtig niet vermoeden als je hem ziet op zijn lakleren sneakers, in zijn nauwsluitende shirt, en oh, die doordringende blik, meneer de schuinsmarcheerder - maar dan die taal!NRC Eva van Esch 28 juni 2014
  2. vervorming van apoplexie, een hersenbloeding

Etymologie

* In de betekenis van ‘lichte flauwte’ voor het eerst aangetroffen in 1646