April
mannelijk (de)/aˈprɪl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (tijdrekening) vierde maand van het jaarIn april is het weer sterk wisselend.Besteed de daaropvolgende drie maanden aan het aanschaffen van je nieuwe uitrusting en de laatste drie om te trainen, zodat je ergens in april aan de Mexicaanse grens in Campo kunt staan.
Etymologie
*Komt van het Latijnse mensis Aprilis. De etymologie is echter onzeker. Het woord wordt wel in verband met het Latijnse aperire (openen) vanwege de onluikende natuur. Ook wordt het woord wel in verband gebracht met de Griekse godin Aphrodite, omdat de maand april was gewijd aan Venus (de Romeinse naam van Aphrodite).
Uitdrukkingen
- De heren en de aprillen, bedriegen die zij willen
- De vrouwen en de aprillen, hebben beiden hun grillen
- April doet wat hij wil — de maand april is qua weer erg veranderlijk
- Op de eersten April verloor Alva zijn bril — Stoett-107 [http://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01 www.dbnl.org]
- aprilletje zoet geeft ook nog weleens een witte hoed
- April koud en nat, vult schuur en vat
- April koud en mei warm, geen boer wordt er arm
- April veel regen, brengt rijke zegen
Vertalingen
EngelsApril
Fransavril
DuitsApril
Spaansabril
Italiaansaprile
PortugeesAbril, abril
Russischапрель
Chinees四月
Japans4月
Koreaans사월
Arabischأبريل
Turksnisan
Poolskwiecień
Zweedsapril
Deensapril
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek