arbeidsbeperking
vrouwelijk (de)/'ɑrbɛɪtsbəpɛrkɪŋ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- belemmering die ontstaan is door ziekte of gebrek waardoor het verkrijgen of verrichten van arbeid niet of minder goed mogelijk isDe afspraken met werkgevers over meer banen voor mensen met een arbeidsbeperking worden voortvarend uitgevoerd. Troonrede 2016
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek